Bandhouse

De afgelopen week een aantal dagen op een rustige camping in de Betuwe gestaan. Kleine tent, weinig spullen. Het was niet allereerst mijn idee, dat gekruip in zo’n mini-tentje, slapen op een luchtbed. Dat als de één zich omdraait de andere bijna met zijn kop tegen het tentdoek zit. Nee, het was vooral de wens van mijn vrouw. Zij doet het graag en vindt het heerlijk, kamperen in de vrije natuur. Hoog tijd dat ik eens meeging.

Eerlijk is eerlijk, ik vond het echt leuk. Lekker relaxed, alle ruimte, ideaal weer, koelbox, muziekje. Het gekruip nam ik op de koop toe.
En fietsen achterop de auto natuurlijk. Zo gaat dat als je een zekere leeftijd hebt bereikt. Lekker fietsen, omgeving verkennen, al die fruitkwekers, de dijkjes, de mooie rivieren. En ondertussen veel terrasjes pakken.

Nu is de Betuwe voor mij geen onbekende streek. Het is de thuisbasis van Arja en haar DDA Agency, boeker/manager van onder meer Tony Spinner, Sonny Hunt en Leif de Leeuw. Toevallig allemaal gitaristen waarmee ik korte of langere tijd samenspeelde. In die periodes was ik dus vaak in de Betuwe. En als je er dan doorheen fietst, komen er weer allerlei herinneringen naar boven. De dorpjes waar we speelden, het kantoor cq de thuisbasis in Geldermalsen, Culemborg Blues en ook de zogeheten ‘Bandhouse’. De eerste twee jaar in de band van Tony hadden we namelijk de luxe beschikking over een eigen huisje, ergens onderaan één van de vele dijken in de streek. Onze Bandhouse.

Ik vroeg me af waar die ook alweer stond? Het was, zo wist ik dus nog, aan een dijk én vlak naast een kerkje. Eigenlijk zoals best veel huizen in de Betuwe.
Al fietsend in de best hete zon prakkiseerde ik me kortom suf hoe dat dorpje van de bandhouse ook weer heette. Avezaath, Wadenoijen, Maurik, ik kwam er niet meer op. En we kwamen er ook niet doorheen, op onze sportfietsen, door dat ene dorpje.
Google Maps bood uitkomst. Ravenswaaij!

Waar zijn we tegenwoordig zonder Google, vroeg ik me af.
Ravenswaaij ja. Nu wist ik het weer. Het lag een stukje ten noorden van onze camping in Buren. Die kant waren we nog niet op gefietst.
Of ik er dan graag nog eens wilde kijken, vroeg Petra.
‘Nou ja’, zei ik. ‘Niet heel dringend, maar als we morgen toch weer gaan fietsen, dan wil ik er best eens langs.’

Zo gezegd zo gedaan. Wij puzzelden een knooppuntenroute in elkaar die ons langs Ravenswaaij zou leiden. Daarna de Lek over naar Wijk bij Duurstede en terug over Culemborg. Diegene die die knooppunten heeft bedacht verdient trouwens een standbeeld. Wat een geniaal concept. Maar dat terzijde.
Onze knooppuntenroute leidde ons dus als eerste richting Ravenswaaij. Dan hadden we de grootste opwinding van de dag maar gehad. Ik herkende al veel onderweg. De grote brug over het Amsterdam-Rijnkanaal, waar ik op weg naar de bandhouse altijd overheen reed. Dan rechtsaf de dijk op, langs het kanaal.
‘Daar moet het ergens zijn’, zei ik.
Maar het was nog beduidend verder weg dan ik dacht. Fietsend wel althans, met de auto ging dat destijds een stuk sneller.

Gek ook, ik was in de heilige veronderstelling dat Ravenswaaij en het betreffende dijkje aan dat Amsterdam-Rijnkanaal liggen, maar dat klopt dus niet. Het dorp ligt aan de Lek, die even daarvoor het kanaal doorkruist. Of andersom. In mijn herinnering stroomde het kanaal, wat nu dus de rivier bleek, ook veel dichter bij de dijk.
Ook wist ik zeker dat de bandhouse vanuit mijn richting even vóór het kerkje lag. Maar toen we eenmaal de bordjes Ravenswaaij waren gepasseerd en het kerkje naderden, zag ik aan de linkerkant nergens een huis dat maar iets op de bandhouse leek. Bestond het dan niet meer? Kon niet, dan had Arja me dat wel verteld, toen we een paar dagen geleden bij haar en Adri op de koffie waren.

De bandhouse lag dus, tot mijn grote verbazing, na de kerk. En dan direct ernaast. Gek hoe je herinnering door de tijd een soort van vervaagt.
Maar het beeld dat ik had van de bandhouse klopte nog precies. Dat leuke, niet al te grote huisje, daar direct onderaan de dijk, vanaf waar je dus wijds uitkijkt over de uiterwaarden en de Lek. Het was nog exact hetzelfde, maar wel flink opgeknapt.

We stonden boven aan de dijk en keken wat rond, maakten een paar foto’s en ik wees Petra naar de woonkamer, destijds tevens onze oefenruimte. Dat we daar repeteerden, op een niet gering volume! Met andere huizen dicht in de buurt. Tjonge. Jan Akkerman kwam er een middag langs als voorbereiding op de set die hij met de Tony Spinner Band zou spelen op het Rapenburg Festival in Leiden. In de woonkamer daar onderaan de dijk speelden we Hocus Pocus.
Op de slaapkamers boven overnachtten we vaak tijdens de tours, als we niet al te ver weg speelden. Ik dacht aan die keer dat we om 3 uur ’s nachts terugkwamen van een optreden in Warmond en de volgende ochtend om half 8 alweer in de auto zaten naar Schiphol voor een gig in Zweden. Maar meestal sliepen we uit. Behalve op zondag dan. De kerk links naast de bandhouse – niet rechts – wekte ons dan met zijn klokgelui. Zucht.

Maar veel belangrijker nog, in die woonkamer, deed ik in januari 2005, samen met Poundcake-bassist Pascal, auditie bij Tony. Wat voelde dat meteen al goed! Dat hij meehielp mijn drumkit uit te laden, dat we zijn nieuwe album Chicks & Guitars van voor naar achteren speelden, daarna nog van alles jamden en uiteindelijk ook bleven eten. Dat Tony gewoon een heel aardige kerel was. Het was zeker niet dat ik zo enorm blaakte van zelfvertrouwen, maar dit moest goed gaan! Ik voelde het.   
En dat ging het. Het begin van bijna vijf hele mooie jaren in Tony’s band, met mooie tours, albums, heel veel plezier en vooral ook een geweldige leerschool, die me daarna nog veel ander mooi werk heeft opgeleverd. Die geslaagde auditie heeft m’n muzikale leven een enorme boost gegeven.

Wij stonden daar ondertussen nog steeds bovenaan die dijk. Er liepen twee jongens rond het huis.
‘Zullen we even aanbellen’, stelde Petra voor.
Ik twijfelde wat. Zitten die mensen daar wel op te wachten?
Maar zij ging, het dijkje af richting de voordeur, waar de bewoonster al naar buiten kwam. Ze woonde er al ruim vijftien jaar, ze had ons al zien staan. Een leuk gesprek volgde.
Ja, ze wist wel van bands die in haar huis hadden gebivakkeerd. Iets met Toto, toch?
‘En Jan Akkerman speelde in mijn woonkamer?’ Nee, dat verhaal kende ze niet.

Wij maakten nog wat foto’s. Nu met toestemming. En pakten onze fietsen weer. Terug over het Amsterdam-Rijnkanaal, richting de pont over Lek naar Wijk bij Duurstede. Maar eerst stopten we bij Eethuys ’t Veer, voor een broodje, een drankje en ijs. Ondertussen stuurde ik Tony een berichtje en een foto van onze oude bandhouse. Binnen de kortste keren kreeg ik een reactie: ‘Yes, good times for sure!’, zo tikte Tony onder meer terug. De laatste jaren nauwelijks nog contact gehad met elkaar. Maar dit was weer heel leuk. Passend in de nostalgie van die tijd en van dit moment.

Een mooie dag was het. Beter gezegd, mooie dagen waren het, daar in de Betuwe.
Wij gaan er vast nog wel eens vaker kamperen.     

Leif de Leeuw Band

We ontmoetten elkaar voor het eerst in 2010, tijdens een repetitie met Sonny Hunt & The Dirty White Boys in Nieuwendijk. Eén avond oefenen en de volgende dag beginnen met een tourtje. Zo ging dat in de bluesrockband van gitarist Sonny Hunt uit Nashville, Tennessee. Meer tijd was er simpelweg niet.
Sonny hield er bovendien van om jong gitaartalent mee te nemen op zijn tours. Kon hij, bescheiden als hij is, zelf lekker een beetje op de achtergrond blijven en de jonkies laten vlammen. Zo hadden we sinds 2008 Rory in de band. En nu kwam Leif erbij als tweede ‘special guest’.

Vijftien was hij. Ik ruim drie keer zo oud. Sonny en bassist Dick nog ouder. Maar spelen kon hij als de beste. Zoveel was na de eerste paar nummers al wel duidelijk. Alsof hij al jaren in de band zat. En alsof hij helemaal niet piepjong was. Vergeleken met ons dan.
In de pauze van die eerste repetitie kwamen Leif en ik aan de praat. Over muziek. Want daar hebben muzikanten het meestal over. Of ze nou vijftien zijn of bijna vijftig. We kwamen er achter dat we veel gemeen hadden. Blues, rock, seventies. Hij was helemaal gek van Free en hun gitarist Paul Kossoff. Dat was nou ook toevallig. Ik liep met het idee voor een Free-tributeband.
Nou, als ik nog eens een gitarist nodig had, dan deed hij graag mee.
Er was weer een nieuwe vriendschap geboren. We spraken dezelfde taal, ondanks ons leeftijdsverschil. De taal van de muziek.

De tour met Sonny en zijn Nederlandse Dirty White Boys was meer dan leuk. Leif was een aanwinst, zowel voor ons als voor het publiek. Het was geweldig om een vijftienjarige zo goed te zien spelen.
Ondertussen was hij ook al bezig met zijn eigen Leif de Leeuw Band. Hij zocht nog een drummer, zo begreep ik al snel. En na een gig in Uden kwam het hoge woord eruit. Of ik interesse had om in de Leif de Leeuw Band te komen drummen? Zijn woorden klonken even voorzichtig als plechtig. Alsof ie een meisje verkering vroeg, zeg maar. Terwijl dat meisje het allang voelde aankomen.
Ik had er dus al diep over nagedacht. Het was, ondanks die leeftijd, een interessante optie. Leif was hét grote bluestalent van Nederland, we zaten op dezelfde muzikale lijn. En ik had geen vaste band op dat moment.

Zo werd ik drummer in de allereerste versie van de Leif de Leeuw Band. Gelukkig kregen we kort daarna een zanger die nog wat ouder was dan ik. Dat was wel prettig, was ik niet de enige halfbejaarde rocker in de band. We waren leeftijdstechnisch een nogal gemêleerd gezelschap, zeg maar.
In het begin speelden we nog merendeels covers. Albert Collins, John Mayer, Led Zeppelin, Jethro Tull en uiteraard Free. We waren dan wel geen tribute, maar hadden wel een stuk of vier Free-songs op de set staan.
We deden al snel de eerste optredens, waaronder een paar goeie support-shows in de Boerderij in Zoetermeer. En ondertussen kregen Leif en ik een sterke band. We reisden vaak samen. Ik pikte hem thuis op en dan gingen we op weg. Ik achter het stuur, hij verzorgde de muziek.
Tjonge, wat we allemaal niet hebben geluisterd tijdens die ritjes. Blues ja. En veel classic rock. Maar net zo goed oude soul, country en folk. En we genoten van Supertramp, Steely Dan, Eagles en onze gezamenlijke held Joe Walsh. Mocht Joe Walsh ooit nog eens naar Nederland komen – solo, niet met Eagles – dan gaan wij daar samen heen, hebben we toen besloten. Net zoals we in 2015 samen naar Jeff Beck zijn geweest en hem backstage een hand mochten geven. Ook zo’n held.

Veel overeenkomsten dus. Maar na verloop van tijd werd dat toch minder vanzelfsprekend, merkte ik. De taal en de drive van een tiener komen niet altijd overeen met die van een veel oudere bandmaat, die ook huisvader is. Andere verantwoordelijkheden heeft.
In het voorjaar van 2011 toerden we weer met Sonny. In een vol schema hadden we maar zo Tweede Pinksterdag, vrij.
“Zeg Han”, vroeg Leif in de pauze van een gig in Deventer, “zullen we die dag dan met mijn band gaan repeteren?”
Zijn lach was breed, als altijd. Zijn blik hoopvol.
En ik wist, hier gaat het mis. Ik keek uit naar een vrije Tweede Pinksterdag thuis. Mijn huisgenoten waren benieuwd hoe ik er ook al weer uitzag. Leif had een dag vrij en zin om dan te gaan repeteren. Het grote verschil tussen ons.

Een maand later besloot ik, na een klein jaar, te stoppen. Ik zei Leif dat hij op zoek moest naar een drummer van zijn eigen leeftijd. Ongeveer dan. Hij snapte het en de rest is bluesgeschiedenis. Want langzaam maar gestaag klom de Leif de Leeuw Band, inmiddels met drummer Tim Koning, naar de top van de Nederlandse bluesscene. En timmeren de mannen ook in het buitenland flink aan de weg.
Het is trouwens te beperkt om de band in het blueshokje te stoppen. Rock, prog, fusion, roots, het kan allemaal bij de Leif de Leeuw Band. Een beetje als al die muziek waar Leif en ik samen in de auto naar luisterden. Zo’n smeltkroes.
Drie albums en een EP bracht de band inmiddels uit. Daarop ook nog een enkele song uit mijn tijd. Liedjes waar ik nog enigszins aan meegeboetseerd heb, zoals de ballad My Color Blue van het album Leelah. Mooi om te horen wat er uiteindelijk van die ruwe ideeën is geworden.

Vorig jaar deed de Leif de Leeuw Band een Allman Brothers-tour. Speciaal daarvoor werd de band uitgebreid met een gitarist/zanger, een toetsenist en – uiteraard – een tweede drummer: Vlaming Joram Bemelmans. Ik zag de band eind vorig jaar in Austerlitz en werd werkelijk omver geblazen. Geweldig was het. En apetrots was ik op Leif, zijn band en niet in de laatste plaats de drumtandem Koning/Bemelmans. Mijn opvolgers.
De tour en de uitgebreide bezetting bevielen dusdanig goed, dat Bemelmans en ook toetsenist Rick Linzel vervolgens als vast bandlid werden aangenomen. De Leif de Leeuw Band is nu dus een formatie met twee drummers. En wat voor een drummers!

Wanneer Slagwerkkrant dan besluit om in de augustus-editie een aantal pagina’s in te ruimen voor bands met twee drummers, dan is het niet meer dan logisch om daarin ook het duo van de Leif de Leeuw Band aan het woord te laten.
Kon ik dat interview, als ex-bandlid, wel doen?, vroeg ik me even af.
Ja, dat kon, vonden zowel mijn eindredacteur als ikzelf. Mijn tijd in de Leif de Leeuw Band ligt ver achter me, de huidige bezetting is compleet anders. Bovendien, het ging niet om een kritisch journalistiek stuk, maar om een informatief artikel. Koning en Bemelmans vertellen daarin over hun samenwerking. Hoe werkt het, hoe bevalt het, wat is er zo bijzonder aan spelen met twee drummers?

Net zoals ik dit voorjaar een geweldig boeiend interview had met drumtandem J.J. Johnson en Tyler Greenwell van de Tedeschi Trucks Band, was ook het gesprek met Koning en Bemelmans bijzonder leuk. Twee jonge en vooral razend enthousiaste drummers. Van Leif zijn eigen leeftijd. En niet drie keer zo oud. Precies zoals ik het hem destijds had aangeraden.

Of ik daar ooit spijt van heb gehad, is me naderhand vaak gevraagd. Nee, nooit. Het is helemaal goed zo. Bij mij zijn nadien weer mooie andere dingen op mijn pad gekomen.
En Leif? Die draait als gezegd als een tierelier met zijn geweldige band.

Soms, eigenlijk te weinig, komen we elkaar tegen. Kort geleden, toen onze gezamenlijke vriend Sonny Hunt, bij wie het ooit allemaal begon, even over was uit Nashville, hebben we weer gejamd. ‘Little Wing’, ‘Voodoo Chile’ en natuurlijk dat mooie ‘Cause We’ve Ended As Lovers’ van Jeff Beck. Dan spreken we weer dezelfde taal. Die van de muziek.
En trouwens, ooit gaat die Free-tribute er komen. Dan weet ik wel nog wel een geschikte gitarist.

Countdown Café

Het was in de jaren tachtig en negentig beetje het rebelse jongetje van Hilversum 3, Countdown Café. Met name in de tijd van het presentatieduo Alfred Lagarde en Kees Baars, die op de vrijdagavond tussen tien en twaalf uur deden en draaiden waar ze zin in hadden. Een vrijstaat binnen het steeds meer geformatteerde radioland, zo leek het wel. En een programma waar (hard)rockliefhebbers iedere week voor thuisbleven.
Want (hard)rock, dat was wat Alfred en Kees vooral draaiden. In de jaren voor Countdown Café moesten we het doen met eens in de week Lagarde’s Betonuur op de dinsdagmiddag en daarna nog tijdje Stampei met Hanneke Kappen. Maar toen kwam Countdown Café, ook met goeie muziek én live-bands. U2 ooit nog. Een begrip in rockland, dat was het.

Eind jaren tachtig waren we er met onze toenmalige band Vangouw voor het eerst te gast. De band was net nieuw, maar kende een bliksemstart. We hadden nog nooit live gespeeld. Ja, één keer, tijdens de audities van Veronica’s Sterrenjacht. Een beetje de eenvoudige voorganger van Idols en The Voice, zeg maar. In de kantine van Veronica speelden we, net als nog een hele rits andere bandjes, drie eigen nummers. Jurylid Alfred Lagarde klapte het allerhardst en riep iets van ‘Yeah!’. Dat betekende wat in die tijd.
Vangouw kwam de audities met glans door; we plaatsten ons voor de radio- en vervolgens de TV-editie van Sterrenjacht. Twee keer mochten we de studio in, een eigen liedje opnemen voor het programma. Met Lagarde als producer!

Dat was een aardige belevenis. Allereerst al de luxe van de Bolland Studio’s – het mocht wat kosten blijkbaar. Maar de belevenis was vooral Alfred Lagarde zelf. Met veel passie, enthousiasme, energie en een onafscheidelijke borrel, haalde hij het beste uit ons naar boven. Terwijl ik de drums inspeelde stond hij voor me, wild zwaaiend met zijn armen, om me op te zwepen. “Niet te moeilijk doen. Grooven, power. Speel in dienst van de song”, dat was zijn boodschap. En die ben ik nooit meer vergeten! Nog altijd als ik de drumpartij van Simonaï hoor, dan ben ik er tevreden over. Net als over de hele song trouwens.

Maar goed, we waren een rockband, we zaten in Veronica’s Sterrenjacht en dus werden we ook uitgenodigd in Veronica’s Countdown Café. Twee keer zelfs. Niet om live te spelen trouwens, geen idee meer waarom niet. Het ging om een interview en er werden twee songs gedraaid. Wij reden er graag voor naar Hilversum. Ik herinner me vooral een enorm gezellige boel, daar in de studio. Genoeg bier, goeie muziek, een ogenschijnlijk wat chaotische setting. We hadden het naar de zin, Alfred en Kees ook. En ondertussen draaide Alfred gewoon zijn zelf geproduceerde Simonaï op de nationale radio. Het kon gewoon allemaal. En wij blij.

Dertig jaar later heeft Countdown Café niet meer de statuur van weleer. Dat is in het huidige medialandschap ook haast onmogelijk, zeker als je als radioshow nog steeds zo je eigen gang gaat. Want op welke zender hoor je tegenwoordig nog gewoon een half uur Journey live? Juist ja, bij Countdown Café.

Het programma is er, na een tijdje afwezigheid, dus nog steeds. Met Kees Baars dan; Alfred Lagarde is er twintig jaar geleden helaas tussenuit geglipt. En nog wekelijks spelen er live-bands in Countdown Café. Twee jaar geleden waren we er met de Brothers voor het eerst te gast. Toen in Hilversum. Vorige week waren we er weer, maar dan in de Q-Factory in Amsterdam, waar Countdown Café tegenwoordig wordt opgenomen. Het programma is namelijk niet meer live in de ether, zoals vroeger. Dat neemt wel iets van de magie weg.
Maar toch, optreden bij Countdown Café is nog altijd een kleine eer. Twintig minuten spelen, goed opgenomen, gefilmd en uitgezonden. Op de zender, maar vooral ook op het wereldwijde web. Facebook, YouTube. Goed voor de p.r. En als een man met het muzikale gezag van Kees Baars dan ook nog zegt dat de band heel goed is, dan betekent dat nog steeds wat. Zeker nu ik bezig ben met mijn afscheidstoer met The Veldman Brothers.

Countdown Café herinnerde me tot voor kort vooral altijd aan mijn bandje van dertig jaar geleden. Maar nu is het zeker ook één van de vele mooie herinneringen aan de Brothers.

From The Heart

Het was weer een mooi muziekjaar. Veel gigs in binnen- en soms in buitenland. Eén van de leukste en meest verrassende trips met de band vond ik die naar Rendsburg, helemaal boven in Duitsland. We speelden daar afgelopen voorjaar op het Bullen Blues’n Rock-festival in de plaatselijke Nordmarkhalle. Samen met de band van gitarist Bernie Marsden – ooit van Whitesnake – en met Ten Years After.
Ik vond het een goeie line-up. Veel oude, haast bejaarde bluesrockers, dat wel. Maar Bernie Marsden was lang geleden een belangrijke pilaar in het toen nog bluezy Whitesnake. En hij is mede-componist van onder meer Here I Go Again. Dus hij heeft zijn pensioen wel op orde.

Ten Years After is een soort van legendarische band. Weliswaar allang zonder de inmiddels overleden voorman Alvin Lee. Maar verder is de band nog helemaal intact. Dat dacht ik althans…
En TYA speelde in 1969 wel mooi op Woodstock. Samen met Jimi Hendrix en nog veel meer grootheden. Dat alleen is al bijzonder zat.
Nu stond datzelfde Ten Years After op de bill met The Veldman Brothers. Nou ja, andersom dan eigenlijk. Wij met hen. Maar toch, zo kan het gaan in een muzikantenleven. De ene keer deel je het podium met Hendrix, een tijdje later met The Veldman Bros.

Het leek de vier TYA-mannen niet te deren. Zeker niet de kersverse en, vergeleken bij zijn drie medebandleden, piepjonge gitarist/zanger Marcus Bonfanti. Een vrolijk ogende Brit, met lang zwart haar en een dito baard. Hij was nog lang niet geboren toen Woodstock plaatsvond.
Wij waren met The Veldman Brothers de opener van het Bullen-festival. Om vier uur in de middag. Zeg maar het soort optreden waarvoor je om half zeven uur in de ochtend je wekker moet zetten. Want het is even rijden naar Rendsburg.
Maar aan de andere kant; we waren wel lekker vroeg klaar met spelen. Met een fijn optreden achter de rug én nog een paar leuke bands in het verschiet smaakt zo’n grote fles Duits bier dan extra goed.
Zo zaten we die zaterdag laat in de middag met de band na te praten over onze gig, toen Marcus Bonfanti door onze kamer annex kleedruimte naar de gang liep om een sigaret te roken. Ik volgde hem kort daarna. In de gang stond namelijk ook de koelkast. Onderweg raakte ik in een leuk gesprek met Marcus.

Even later voegde zich nog een Ten Years After-bandlid bij ons. Ook een roker. Ik herkende hem niet echt, maar was ervan overtuigd dat het bassist Leo Lyons was. Die had ik in 2008 al eens ontmoet, toen ik met Tony Spinner in het voorprogramma speelde van Ten Years After, op de markt in het Duitse stadje Eschweiler.
Na dat optreden van toen kwam ik met Leo Lyons aan de praat. Een vriendelijke man, complimenteus ook. Hij woonde nier meer in Engeland, vertelde hij, maar in Nashville. Dat was leuk, want ik zou kort daarna naar Nashville om een album op te nemen met Sonny Hunt. Dus we hadden gespreksstof. Bovendien was Lyons ooit producer van de rockband UFO. Dat vond ik cool.

En nu zag ik hem in Rendsburg dus weer: Leo Lyons. Tjonge, dacht ik, wel een heel oud mannetje geworden. Maar nog altijd die vriendelijke blik. Hij deed me denken aan mijn oude opa, wiens Perzische tapijtje inmiddels weer volop dienst doet als drumkleed.
Waarom hij nog steeds toerde?, vroeg ik hem. ‘Voor de lol?’
Hij nam nog een flinke hijs van zijn sigaret. Ik een slok Duits bier.
‘Jazeker’, benadrukte hij. ‘Ik doe het nog steeds heel graag.’
Dit weekend speelden ze in Duitsland, volgende week hadden ze twee gigs in Frankrijk. Hij zei het met een soort van trots. Dat ik wel goed begreep dat het nog altijd heel voorspoedig ging met zijn band.
Wat dat betreft veranderen muzikanten nooit. Hoe oud ze ook zijn.

Even later stond Ten Years After te spelen. Wat nieuw werk, maar vooral songs als One Of These Days, Help en uiteraard klassieker I’m Going Home. Oftewel het beste van dat legendarisch Recorded Live-album uit 1973. Marcus deed het goed als Alvin Lee-vervanger. Hij bleef zichzelf, dat alleen was al knap en mooi. Maar het was vooral ook de bassist die opviel. Hij leek het enorm naar de zin leek te hebben.
‘Goh, die ouwe Leo’, dacht ik nog.
Maar wat bleek toen Marcus de band ging voorstellen? Leo Lyons was helemaal niet Leo Lyons.
‘On bass-guitar: mr. Colin Hodgkinson!’, riep hij.
Ineens begreep ik dat die man, die ik vooral herkende als mijn oude opa, dus heel iemand anders was. Colin Hodgkinson! Ex-bassist van Alexis Korner, hij speelde een deuntje mee op Mick Jagger’s She’s The Boss en hij zat in Whitesnake ten tijde van de Saints & Sinners-tour. Ik zag ze in 1983 in Vredenburg in Utrecht. Colin ‘Bomber’ Hodgkinson, zo kondigde David Coverdale hem toen aan.
Goh, die aardige man waar ik net nog mee stond te praten was helemaal niet Leo Lyons, maar Colin ‘Bomber’ Hodgkinson!
Even verwarrend. Maar ook erg geinig.

En het was niet de enige verrassing, daar in Rendsburg.
Want na Ten Years After volgden Bernie Marsden en band. Wat een fijne gitarist! Ze speelden wat nieuw eigen werk en een handvol covers, zoals Oh Well van Fleetwood Mac en Booker T’s Born Under a Bad Sign. Uiteraard deed Marsden ook wat oude Whitesnake-songs. Zijn eigen songs. Hij zong ze opvallend goed. Beter dan David Coverdale dat heden ten dage doet. Veel beter. En dat zeg ik met enige spijt, want ooit was Coverdale één van mijn favoriete zangers.
Ik keek eens goed naar Marsdens’ bassist, die wat achterin stond. Beetje onopvallend in het donker. Zoals bassisten dat vaak doen. Ik keek nog eens. Hé, is dat niet Neil Murray? Ja, verrek, dat is hem. Dé Neil Murray. Ook al uit de goeie oude Whitesnake. Maar ook van Black Sabbath, van Peter Green en uit de band van Brian May. Én van de solo-albums van Cozy Powell.
Zo’n typische bassist. Eentje die nauwelijks opvalt, maar oh zoveel interessante dingen heeft gedaan. Hij stond op hetzelfde podium als wij daarnet.

De volgende ochtend zaten we allemaal in hetzelfde hotel aan het ontbijt. Ten Years After, Bernie Marsden, Neil Murray en The Veldman Brothers. We zeiden elkaar Good Morning en knikten vriendelijk. We namen koffie, thee, jus en lekkere broodjes met kaas, ei en zalm. Yoghurt met fruit ook nog. Alsof het heel gewoon is dat je met deze muzikanten in een ontbijtzaal zit.
Dat is het niet. Ik had heel graag met vooral Neil Murray gesproken. Over Whitesnake, over Brian May, over veel andere dingen en vooral zijn jarenlange samenwerking over mijn al lang overleden jeugdheld Cozy Powell.
Maar ja, je valt zo iemand op de vroege ochtend niet lastig. Je schuift niet even bij hem aan de ontbijttafel aan. Dus je staat op, knikt nog eens vriendelijk en stapt in de bus voor een lange rit naar huis.
Ik heb er een beetje spijt van.

Maar gelukkig hebben we Bernie Marsden de avond ervoor wel gesproken. Toen we tegelijk arriveerden bij het hotel. Heel onderhoudend praatje.
Hoe hij toch die fijne sound voor elkaar kreeg?, informeerde Gerrit nog. Gitaristen onder elkaar hè. Want Marsden gebruikte geen enkel effectapparaat. Zijn gitaar was rechtstreeks in zijn Marshall geplugd, zo hadden wij geconstateerd.
De gitarist klopte even een paar keer met zijn rechterhand links op zijn borst. Zonder poespas, eerder bescheiden.
‘From the heart’, antwoordde hij.
Gerrit en ik keken elkaar aan. Dat kwam ons bekend voor.
Het was een mooi moment! En veel beter had Marsden de essentie van muziek én van het in veel opzichten verrassende Bullen-festival niet kunnen samenvatten.

DW

’t Is wat.
Vorige week de accordeon verkocht. Afgelopen zaterdag m’n DW-kit.
Van de accordeon werd ik een beetje weemoedig. Dat de DW weg is gaat me aan het hart. En mijn vrouw haast nog meer. We hebben er nog net geen traantje om gelaten.
Maar soms ben je toe aan iets anders. En ik kan helaas niet alles houden, heb er simpelweg geen plek voor.

Nu zou ik hier een enorme lap tekst kunnen gaan schrijven over wat ik de afgelopen bijna veertien jaar allemaal samen met dat mooie witte drumstel heb meegemaakt. Zoals ik dat meestal doe.

Over die zaterdagochtend in januari 2004 bijvoorbeeld, toen ik ‘m ophaalde bij Interdrum in Winterswijk. Eigenaar Tonny Kamperman sloeg ter demonstratie nog eens heel hard op de floortom. ‘Wow’, zei die erbij. Alsof hij zelf ook nog verrast was door de vette warme sound.
Ik wilde Bonham-style en kreeg dat ook.
Of die zondagochtend er na toen we gingen repeteren met Poundcake en ik door de Achterhoek richting ons toenmalige oefenhok in Lobith reed, met de DW in de achterbak. De weg was net iets mooier dan anders.

De auditie bij Tony Spinner een jaar later, in de toenmalige ‘bandhouse’, onderaan de dijk, naast het kerkje in Ravenswaaij. Dat mooie kerkje dat ik op zondagochtend, wanneer de bandhouse soms ons hotel was, nog wel eens vervloekt heb.
Tony hielp mee m’n drumkit uitladen. Dat vond ik al bijzonder. Het voelde goed, die allereerste ontmoeting. En naar verluidt scoorde ik direct punten toen ik die enorme DW-bassdrum uit die nog enormere hardcase haalde en ‘m in de woonkamer annex repetitieruimte opstelde. Tony had net z’n album Chicks & Guitars uit. Meer rock dan blues in die tijd. De vette DW paste daar goed bij.
De fijne, geslaagde en zelfs gemoedelijke auditie heeft m’n muziekcarrière tot op de dag van vandaag een geweldige boost gegeven.

Over de navolgende tours met Tony. Ons eerste optreden in Spirit of 66 in Verviers. De mooiste live-club van België. Voor zover ik ze ken dan. De immer relaxte eigenaar, boeker en geluidsman Francois gaf me na afloop een hele grote sticker van zijn Spirit. Die zit sindsdien op die hele grote bassdrumcase.
Of die keer dat we van Berlijn naar Salzburg reden en de bandbus er halverwege de brui aan gaf. Ik zie nog voor me hoe de bus, met de hele backline achterin, in een hoek van misschien wel 45 graden de Duitse sleepwagen op werd gehesen. Ik was bang dat mijn DW helemaal verpletterd zou worden door de naar achteren schuivende gitaar- en bassamps. Maar leve de hardcase! Mijn drumkit was ongedeerd. De bus de volgende dag ook weer. De tour ging verder.

Over het Spinner-album Live in Europe, met daarop enkele opnamen van de gig in de Bluesgarage in Hannover. Ik vind het geluid van de DW daar te massief. Op het navolgende Rollin’ & Tumblin’ klinkt ie wel fijn. Net als op Sonny Hunt’s Hitting The Noot. Maar voor de opnamen van het laatste Veldman Bros-album Refuel, koos ik voor een andere kick. Een oude, groene 22″ Pearl. Niet de ‘kanonskogel’ die 24″ DW was.

Misschien ook over mijn korte tijd in de toen nog prille Leif de Leeuw Band, waarin ik soms ook twijfelde of de DW niet te vet was voor de blues. Hoewel, Leif’s band was toen eigenlijk nog een veredelde Free-tribute. Daar paste die sound wel weer goed bij. Maar bij The Etta James Experience koos ik later om de lichtere Sonor-kit te gebruiken.

Of over onze Nuno, die als negenjarig jochie op dat grote drumstel de soundcheck voor mij deed bij Sonny Hunt, op een al lekker gevuld Marktplein in Enschede. Waar hij voor het eerst applaus kreeg. Hij trots. Ik ook.
Mooi ook, met Rob Orlemans op het grote Appelpop. En uiteraard de 140 gigs, de afgelopen twee jaar, met mijn brothers Gerrit, Bennie en Fred.
En dan die geluidstechnici die enthousiast waren over de DW-sound. Die me voor gek verklaarden, de laatste maanden, als ik vervolgens vertelde dat ik van plan was om de DW te verkopen. Soms sloeg de twijfel even toe.

Over veel belangstellende bieders op de DW. Raar fenomeen dat Marktplaats. Ik fatsoenlijk op al die bieders reageren. Maar de meesten laten vervolgens gewoon nooit meer iets horen. Waarom bied je dan?? Ik zal er wel te oud voor zijn. En te keurig-netjes.
Dus even dacht ik dat ik hem niet kwijt zou raken. Ja, mooie kit, zeiden de bieders die wél iets lieten horen. Maar dan was de kleur te wit, die paar nauwelijks zichtbare krasjes te groot, de prijs te hoog of de sound te specifiek.
Ja, dat was het nou precies: specifiek. Dat maakte de DW zo mooi, maar ook niet voor iedereen geschikt.

Over die laatste koper, die afgelopen zaterdagmiddag belde, vervolgens anderhalf uur in de auto zat naar de NR2 in Vorden, waar mijn DW tussen de gitaren en amps in de winkel mocht staan (met dank aan Piet Grasmeijer!). Twee uur later was de kit verkocht. Precies wat hij zocht. Zo’n specifieke sound.
Ik speelde er zaterdag nog één keer op. Heel hard. En deed vervolgens voor het allerlaatst die enorme bassdrum in die nog enormere hardcase. Zoals ik al wel honderden keren had gedaan. In die grote koffer, die je met één hand niet kan dragen en die in bijna geen enkele auto past. Ik sjouwde het bakbeest naar buiten en riep ondertussen tegen Piet: ‘Zie je nou waarom ik hem verkoop!?’
Ja, dat begreep Piet wel.

Over die onbekende grote auto waarin de DW verdween, waarvan we de blije eigenaar nog eens de hand schudden en die toen wegreed. Met mijn drumstel achterin.
En al die herinneringen die er bij horen.
Maar ik ga het niet allemaal hier opschrijven. Gelukkig heb ik de foto’s nog.